Motorrijtuigenbelasting (mrb) is een belasting voor het houden van een motorrijtuig zoals een personenauto, bestelauto of motor. Indien deze (gedeeltelijk) niet is betaald kan een inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met betrekking tot de mrb en dit naheffen zijn er met ingang van 2024 drie wijzigingen:
Motorrijtuigen met een Nederlands kenteken krijgen automatisch een mrb-aanslag. Voor motorrijtuigen met een buitenlands kenteken dient de houder zich op eigen initiatief te melden. Per 1 januari 2024 is een eventuele naheffing van mrb voor deze motorrijtuigen teruggebracht naar maximaal twaalf maanden (maximaal vijf jaar in 2023).
Een bestuurder kan de openbare weg op gaan met een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad. Een naheffing mrb kan worden opgelegd indien de bestuurder staande wordt gehouden én alleen geen handelaarskentekenbewijs kan tonen. Deze naheffing is vanaf 1 januari 2024 teruggebracht naar drie maanden in plaats van twaalf maanden.
De naheffing voor de mrb bij een verandering aan het motorrijtuig wordt per 1 januari 2024 verduidelijkt. Bijvoorbeeld als een bestelauto is omgebouwd naar een personenauto. Zo is duidelijker dat het niet uitmaakt of die verandering is aangebracht door de huidige of een vorige houder van het motorrijtuig, of dat het motorrijtuig altijd al in die specifieke toestand verkeerde.
Aan het begin van 2024 telde Nederland ruim 1,56 miljoen mkb-bedrijven. Dat is bijna 69 procent meer dan tien jaar geleden, toen er bijna 927 duizend mkb-bedrijven waren. Er zijn relatief de meeste bedrijven bij gekomen in de uitgeverijen van software. De groei van het aantal mkb-bedrijven komt vooral door toename van het aantal zzp’ers. Dit blijkt uit recent verschenen cijfers van het CBS.
Het grootste deel van het mkb bestaat uit zzp’ers, ruim 1,25 miljoen. Dat aantal is bijna verdubbeld ten opzichte van 2014. Het aantal microbedrijven (2 tot 10 werkzame personen) is in die periode met ruim 13 procent gegroeid naar iets meer dan 258 duizend bedrijven. De kleinste groep van het mkb, het klein- en middenbedrijf (10 tot 250 werkzame personen), telde aan het begin van 2024 bijna 55 duizend bedrijven, ruim 15 procent meer dan tien jaar eerder.
Aantal energiebedrijven meer dan verdrievoudigd Het aantal mkb-bedrijven in de bedrijfstak vervoer en opslag is in tien jaar tijd bijna verdubbeld naar ruim 66 duizend. Dit komt bijna volledig door de groei van het aantal zzp’ers en microbedrijven in deze bedrijfstak. Zo is het aantal zzp’ers in de bedrijfstakken taxivervoer en goederenwegvervoer (onder andere bezorgdiensten) meer dan verdrievoudigd. In de bouwnijverheid is het aantal zzp’ers meer dan verdubbeld naar ruim 231 duizend in de afgelopen tien jaar. Binnen de nijverheid (geen bouw) en energie is het aantal energiebedrijven meer dan verdrievoudigd, naar bijna 3 duizend.
Alleen in de horeca nam het aantal klein- en middenbedrijven sterker toe dan het aantal zzp’ers en microbedrijven, met name binnen de restaurants en andere eetgelegenheden. Ook binnen de informatie en communicatie nam het aantal klein- en middenbedrijven relatief toe, met name in de IT-dienstverlening. De groei van het klein- en middenbedrijf in de zakelijke dienstverlening komt onder andere door toename bij de architecten- en ingenieursbureaus en de arbeidsbemiddeling.
Vijf keer zoveel beveiligingsdiensten en kabelleggers Op een gedetailleerder niveau van bedrijfstakken is het aantal uitgeverijen van software relatief het meest gegroeid in de afgelopen tien jaar. Begin 2024 waren er 305 mkb-bedrijven op dat gebied, ruim zes keer zoveel als in 2014. Het aantal particuliere beveiligingsdiensten (12 duizend) is meer dan vervijfvoudigd sinds 2014. Dat geldt ook voor het aantal mkb-bedrijven in de callcenters, buizen- en kabelleggers, en de drankenindustrie (vooral bierbrouwerijen). Het aantal webwinkels is in de afgelopen tien jaar ruim verdrievoudigd naar iets meer dan 101 duizend.
Er zijn ook bedrijfstakken waar het aantal mkb-bedrijven juist is afgenomen. Vergeleken met 2014 is de grootste afname bij draadgebonden telecommunicatie (-35 procent), tankstations (-28 procent), en drukkerijen (-21 procent). Het aantal cafés is in deze periode met 20 procent gedaald naar iets meer dan 8 duizend.
De kosten van overwerk in de ww-premie gaan per 1 januari 2025 omlaag bij grote vaste contracten. De ministerraad heeft ingestemd met dit voorstel van minister Van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De maatregel draagt bij aan interne wendbaarheid van en is een lastenverlaging voor bedrijven.
Het kabinet heeft vorig jaar met de werkgevers- en werknemersorganisaties afspraken gemaakt die zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor bedrijven. Een van de afspraken uit dit arbeidsmarktpakket is een verruiming voor overwerk in premiedifferentiatie in de WW.
De premiedifferentiatie in de WW houdt in dat werkgevers een lagere premie afdragen voor vaste contracten en een hogere WW-premie voor flexibele contracten. Om werkgevers flexibiliteit te bieden, mag een werknemer 30% overwerken naast de uren van het vaste contract. Als er naast het vaste aantal uren gemiddeld meer dan 30% extra wordt overgewerkt gaat voor dat hele jaar het hoge ww-tarief gelden met terugwerkende kracht.
De grotere arbeidscontracten waarbij een werknemer gemiddeld 35 uur of meer per week werkt zijn van deze regel uitgezonderd. Deze uitzondering wordt nu verruimd naar contracten met gemiddeld 30 uur per week. Hiermee wordt de interne wendbaarheid van bedrijven vergroot terwijl werknemers de zekerheid van hun contract houden. De wijziging wordt geraamd op een lastenverlichting voor werkgevers van 15,5 miljoen euro.
Ook aan de andere afspraken uit het arbeidsmarktpakket wordt hard gewerkt. De meeste wetsvoorstellen uit dit pakket zijn inmiddels in internetconsultatie geweest, naar de Raad van State gestuurd of aan de Tweede Kamer aangeboden.
Transportondernemers die meerdaagse of op meer dagen internationale ritten maken, mogen, onder voorwaarden, als verblijfskosten een vast bedrag per gereden dag ten laste van hun winst brengen. Voor 2024 is dit bedrag vastgesteld op € 48,00.
Het bedrag dat eigen rijders in aanmerking mogen nemen (in 2024: € 48,00) wordt jaarlijks aangepast en gepubliceerd op belastingdienst.nl, bij Verblijfskosten eigen rijders. Daar vindt u de bedragen van de laatste 5 jaar.
De regeling geldt voor transportondernemers (eigen rijders) die hun winst aangeven in de inkomstenbelasting, niet voor ondernemers die aangifte vennootschapsbelasting doen.
De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft in oktober vorig jaar het advies ‘Samen werken; kiezen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen’ uitgebracht. Dit advies benadrukt de enorme mogelijkheden voor verduurzaming en toekomstbestendigheid van de ruim 3.400 bedrijventerreinen door middel van verbeterde samenwerking. Het kabinet omarmt dit advies en gaat samen met ondernemers, provincies en gemeentes kijken hoe de samenwerking op bedrijventerreinen versterkt kan worden en welke obstakels overwonnen moeten wonnen.
Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat start met een interdepartementale werkgroep om de kansen en belemmeringen voor de verduurzaming van bedrijventerreinen te onderzoeken. Dit zal leiden tot voorstellen om de bestaande initiatieven en programma’s meer in samenhang te brengen en meer te richten op ondernemers. Ook worden dit jaar samen met bedrijventerreinen, provincies en gemeenten proefprojecten gestart om slimmere uitvoeringen te toetsen.
De Rli constateert dat slechts één op de vijf bedrijventerreinen een georganiseerde vorm van samenwerking heeft. Dit gebrek aan samenwerking bemoeilijkt de aanpak van belangrijke uitdagingen zoals de energietransitie, duurzame mobiliteit, bevorderen van een circulaire economie, klimaatadaptatie en verbetering van de landschapskwaliteit en biodiversiteit. Ook zijn veel investeringen voor afzonderlijke ondernemers te hoog, terwijl de praktijk al bewijst dat gezamenlijk investeren erg lonend kan zijn; voor de ondernemers zelf en de samenleving. Goed voorbeeld hiervan is het in goede afstemming opwekken, opslaan en gebruiken van duurzaam opgewekte stroom. Bedrijven kunnen hier van profiteren omdat het gebruik van elektriciteit zo goedkoper wordt en het kan bijdragen aan oplossingen voor de huidige krapte op het elektriciteitsnetwerk (netcongestie).
Ongeveer de helft van het aardgasverbruik en een derde van het elektriciteitsverbruik in Nederland vindt plaats op bedrijventerreinen. TNO heeft in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat recent uitgezocht wat het besparingspotentieel is op alle bedrijventerreinen. De conclusies uit dit onderzoek laten zien dat het besparingspotentieel fors is en benadrukt het belang van een samenhangende en ondernemersgerichte aanpak voor de verduurzaming van deze bedrijventerreinen.
De voorgestelde aanpak voor verduurzaming bedrijventerreinen grijpt aan op lopende initiatieven en programma’s. Zo is het Programma Verduurzaming Bedrijventerreinen gericht op het bevorderen van samenwerking op bedrijventerreinen. Met de regeling Capaciteit Decentrale Overheden voor klimaat- en energiebeleid kunnen gemeenten en provincies extra capaciteit en deskundigheid inhuren om de verduurzaming van bedrijventerreinen ook met de ondernemers op te pakken.